Ik was veertien jaar toen de dwang zich bij mij voor het eerst liet zien, al wist ik toen nog niet dat het dwang was en dat de gruwelijke gedachten en beelden waar ik dagelijks last van had intrusies genoemd werden. Die diagnose kwam pas twaalf jaar later toen mijn voortdurende gevecht tegen deze intrusies – in mijn geval vreselijke beelden waarin ik mezelf iets aan zie doen – en daaruit voortvloeiende mentale dwanghandelingen en depressieve klachten hun tol begonnen te eisen.
De lange periode die hieraan voorafging vocht ik hier in stilte tegen. Ik durfde er met niemand over te praten. Ik schaamde me ervoor en wilde niet dat mijn dierbaren zich zorgen om mij gingen maken. Ik dacht ook dat ik de enige was die hier last van had. Zo worstelde ik me door mijn middelbareschooltijd en studententijd heen. Tegelijkertijd was ik thuis getuige van de vele hoogoplopende ruzies tussen mijn ouders en zag ik het als mijn taak om mijn moeder te beschermen tegen mijn overheersende vader. Haar geluk stond bij mij op de eerste plaats.
Openheid
Vlak nadat ik was gaan samenwonen met mijn eerste vriendin en mijn eerste baan kreeg in de strafrechtspraktijk begon de dwang weer enorm op te spelen. Aangezien ik er bijna aan onderdoor ging, moest ik mijn toenmalige partner wel vertellen wat er allemaal door mijn hoofd ging. Ik was heel bang voor haar reactie, want misschien wilde ze me daarna niet meer. Maar zij vond het juist heel goed dat ik het haar vertelde. Natuurlijk had ze het er zelf ook moeilijk mee, maar ze steunde me waar ze kon.
Maar zij vond het juist heel goed dat ik het haar vertelde.
Samen gingen we naar de huisarts, die me doorverwees naar een psycholoog. Echter, had ik met deze psycholoog totaal geen klik en dat maakte dat ik haar niet het achterste van mijn tong liet zien. Vervolgens kwam ik bij een psychiater terecht die helemaal geen aandacht besteedde aan mijn traumatische jeugd en me hoofdzakelijk pillen voorschreef. Wanneer ik mijn verhaal bij haar deed, zag ik haar geregeld op haar horloge kijken en voordat ik het wist stond ik alweer buiten. De gesprekken met haar en de medicatie hielpen mij maar ten dele. Op een gegeven moment was ik er klaar mee.
Na lang zoeken op het internet kwam ik bij het AMC (tegenwoordig Amsterdam UMC) terecht waar ik een poliklinische behandeling kon volgen, die bestond uit cognitieve gedragstherapie met exposure. Ik was toen 35 jaar oud, stond op het punt om door mijn dwang mijn baan als jurist kwijt te raken en worstelde met depressieve gevoelens.
Herkenning
In het AMC kwam ik voor het eerst in contact met mensen die ook een dwangstoornis hadden en net als ik gekweld werden door angst. Weliswaar hadden we allemaal weer een andere variant – de een was bang dat het misging in de liefde wanneer ze haar kleren niet eerst tien keer waste en de ander stond uren onder de douche uit angst om besmet te raken door viezigheid – maar toch begrepen we elkaar. Ik realiseerde me dat ik er helemaal niets aan kon doen dat ik zulke rare dingen dacht en dat ik me nergens voor hoefde te schamen.
Helaas moest ik halverwege stoppen met de therapie, omdat de behandelaren dachten dat ik het wel alleen af kon. Zelf had ik daar nog mijn twijfels over en waar ik al bang voor was gebeurde. Ik kreeg een enorme terugval.
Gelukkig kon ik al gauw terecht bij een cognitief gedragstherapeutisch werker in het AMC voor een paar gesprekken. Daarnaast had ik ondersteunende gesprekken met een vrijwilliger van de ADF stichting die zelf ook een dwangstoornis had. Haar klachten hadden wel wat raakvlakken met die van mij. Het was een hele fijne vrouw die echt de tijd voor me nam. Zij attendeerde me op de toenmalige ADF lotgenotengroep in het AMC, die zij samen met een andere ADF vrijwilliger begeleidde. Een keer in de maand kwam de groep samen. Ik besloot me ervoor aan te melden. Van tevoren was ik best wel zenuwachtig, maar wat had ik te verliezen.
De groep bestond uit zo’n twaalf mensen wier leven werd bepaald door dwang en angst. Ik deed er mijn verhaal zonder raar te worden aangekeken en leerde er lieve mensen kennen bij wie ik me geborgen voelde en gesteund.
ADF lotgenotengroep Leeuwarden
In 2013 leerde ik mijn huidige partner kennen. Ook zij wist aanvankelijk nog niets van mijn dwangstoornis. Weer bekroop me de angst dat ik mijn partner kwijt zou raken. Maar ik moest het haar wel vertellen, omdat ik voor haar geen geheimen wilde hebben. Ook zij vond het goed dat ik het haar vertelde. Ze ging zich verdiepen in wat een dwangstoornis nu precies was, waardoor ze me steeds beter ging begrijpen. Na een aantal maanden heen en weer reizen naar Friesland, waar zij woonde, besloten we te gaan samenwonen. Dit betekende dat ik de Amsterdamse lotgenotengroep vaarwel moest zeggen. Maar gelukkig vond ik een ADF lotgenotengroep in Leeuwarden.
Er is in de loop der jaren een hechte vriendschap ontstaan tussen de deelnemers.
Inmiddels zijn we alweer elf jaar verder. Therapie heb ik niet meer. Medicatie slik ik nog wel en dat zal ik voor de rest van mijn leven ook nog wel moeten blijven doen. Ik maak nog steeds deel uit van de lotgenotengroep. Er is in de loop der jaren een hechte vriendschap ontstaan tussen de deelnemers. We komen twee keer per maand samen, vieren Sinterklaas, en eens in de zoveel tijd gaan we met elkaar uiteten. Er wordt heel wat af geknuffeld, gelachen, gehuild en met elkaar meegeleefd. Deze groep is zo ontzettend belangrijk voor mij en ik ben mijn lotgenoten heel dankbaar voor de onvoorwaardelijke steun en liefde die ze mij geven.
Désirée (47 jaar) schrijft voor de Angst, Dwang en Fobie stichting columns over haar leven met een dwangstoornis en welke impact dat op haar leven heeft. Ze is getrouwd, heeft een pleegdochter en woont in Friesland. Haar missies zijn het wegnemen van vooroordelen met betrekking tot psychische kwetsbaarheid en steun en herkenning bieden aan mensen die hier nog in stilte mee worstelen.
Eerdere columns van Desirée (de 5 meest recente):


Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!